1.
 
Pas nadat de torenklok in het dorp half twaalf geslagen had, maakten twee donkere gestalten zich los uit de duisternis die tussen de grafzerken hing. Het was een wolkenloze nacht. De maan had zich ergens achter de horizon verborgen, en ze nam genoegen met het beschijnen van de sterren. Enkele kleine vleermuizen dartelden tussen de graven. Ze werden aandachtig gadeslagen door een uil, die zich hoog in een treurwilg had verscholen en geduldig wachtte tot hij wakker genoeg was om zijn slag te slaan.
De twee mannen slopen tussen de kruisen door. De achterste hield zorgvuldig het jasje van de voorste vast. Ze zetten hun voeten voorzichtig neer, alsof ze bang waren om iemand in zijn slaap te verstoren. Af en toe weerklonk een gedempte kreet, wanneer een van hen onzacht in aanraking kwam met de scherpe rand van een grafzerk. Aan de andere kant van het kerkhof hielden ze halt bij een keurig grasperkje.
‘Zijn we er?’
‘Ja, papa.’
‘Eindelijk. Dat werd tijd. Mag mijn blinddoek nu af ?’
‘Nog even geduld.’
‘Maar het doet pijn aan mijn oren.’
‘Heel even maar.’
De eerste gestalte rommelde wat op het grasveldje. Zij zette een paar stappen achteruit, alsof zij haar werk wilde inspecteren. Blijkbaar was zij tevreden met wat zij zag, want zij stapte terug op het grindpad.
‘Ben je klaar? Dat duurde een eeuwigheid. Mag die blinddoek nu eindelijk af ?’
‘Ja, papa. Ik ben al bezig.’
‘Maar ik zie nergens een verrassing ! Moet je me daarom dat hele eind over het kerkhof mee naar hier nemen ? Ik heb minstens drie tenen gebroken.’
Ze gingen naast elkaar op de rand van een grafzerk zitten. De jonge man, die tussen de graven voorop had gelopen, zocht iets in een plastic boodschappentas. Even later weerklonk het geluid van een fles die werd ontkurkt.
‘Bij een gelegenheid als deze mag het al eens wat anders zijn dan eten uit blik, vindt u niet ?’
De andere man nam de fles voorzichtig aan. Hij draaide ze eerbiedig rond en liet het flauwe licht van de sterren op het etiket schijnen. Hij snoof aan de hals van de fles voor hij ze aan zijn mond zette. Hij nam een grote slok en liet de wijn in zijn mond ronddraaien voor hij hem doorslikte.
‘Hmm ! Mijn lievelingswijn. Dat is een eeuwigheid geleden. Waar heb je die fles vandaan ?’
‘Uit de kelder van het kasteel. Ik had haar verstopt voor we vertrokken.’
‘Het kasteel? Ben je in het kasteel geweest?!’
‘Ik ga er soms naartoe. Wanneer u slaapt.’
Terwijl de twee mannen aan de rand van het grasveld stonden, was een andere gestalte naderbij geslopen. Ze bewoog zich snel en zonder aarzelen tussen de graven. Toen even later de fles met een gedempte ‘plop’ werd geopend, hield zij halt. Haar schouders leken even door te buigen. Maar daarna richtte zij zich weer op en gleed zij verder, tot zij oploste in de duisternis achter een grafzerk van waaruit zij de anderen kon bespieden.
‘Moest ik daarom dat hele eind die blinddoek dragen? Voor die fles wijn?’
‘Geduld, papa. Nog een tiental minuten.’
Het was muisstil op het kerkhof. Alleen in de verte, in de buurt van een grote treurwilg, weerklonk het schrapende geluid van een grafsteen die werd opzijgeschoven. Maar dat was een vertrouwd geluid, waarvan zij al lang niet meer opkeken. Even later werd de stilte verscheurd door een trein die over de hoge berm achter het kerkhof voorbijdreunde. De oudste van de twee mannen hield zijn handen over zijn oren geklemd.
‘Hoe gaat het met het kasteel?’ vroeg hij toen de trein in de nacht was verdwenen.
‘Er is nog niets veranderd. Alleen de grote poort is dichtgemetseld. En er zijn een paar bomen omgewaaid.’
De vader liet zijn hoofd op zijn armen zakken. Zijn zoon klopte bemoedigend op de magere schouders.
‘Het is nu niet het ogenblik om daarover te gaan piekeren, papa.’
Ze keken allebei op toen de klokken middernacht begonnen te slaan. Toen het geluid van de twaalfde slag was uitgestorven en de stilte op het kerkhof was teruggekeerd, stond de zoon op. Hij stapte naar het midden van het grasveld en liet zich op zijn knieën vallen. Hij zocht in zijn zakken. Een schrapend geluid, een vlammetje en een zacht gesis toen de lont vuur vatte. Hij haastte zich naar de grafsteen en liet zich naast zijn vader neerzakken. Sloeg zijn arm om de schouder van de oudere man en luisterde naar het gesis dat alsmaar luider werd.
FFFWOESHSHSH !
De vuurpijl schoot omhoog en zocht zijn weg naar de sterren. Aarzelde even toen hij was uitgeraasd, en ontplofte daarna met een doffe knal. Enkele seconden lang was de hemel bezaaid met duizenden bloedrode sterren.
‘Ooh!’
‘Gelukkige verjaardag, papa !’