1.

 

Het jaar 882.

Het Frankische Rijk.

De vallei van de Jeker.

 

De geluiden klonken als verre donderslagen, maar de hemel was blauw en leeg.

     De vingers van Hedelin klemden zich rond de wilde planten die ze net had afgesneden. Haar ogen gleden over het landschap. Een weidse vlakte die alleen werd onderbroken door groepjes bomen en struiken. Plassen water weerkaatsten de lucht. Het voorjaar was nat en koud geweest. De smalle rivier had het laagland veranderd in een moeras. Ze was vlakbij, maar ze lag verstopt achter struikgewas en riet.

     Opnieuw hoorde Hedelin het doffe gerommel. Het gleed over het water en echode tussen de oevers. Ditmaal herkende ze het geluid: roeispanen die tegen de romp van een boot sloegen. Ze fronste de wenkbrauwen. Op dit stuk van de rivier werd nooit gevaren. Niemand kwam ooit deze richting op. Geen enkele boot had een goede reden om stroomopwaarts het hele eind van het dorp tot de afgelegen hut te varen.

     Hedelin liep zo snel mogelijk naar huis. De stengels engelwortel vielen een voor een op de grond, maar ze leek het niet te merken. Alleen het snoeimes hield ze in haar hand geklemd. ‘Papa! Betto!’ Achter haar zwollen de geluiden aan.

     Haar vader verscheen in de opening van het schuurtje achter de hut, waar hij zijn werktuigen opborg. In zijn hand hield hij de kleine bijl waarmee hij meestal kreupelhout hakte. De lichtste van de twee bijlen die hij bezat. ‘Wat is er aan de hand?’

     ‘Een boot!’ hijgde Hedelin. ‘Er komt een roeiboot deze kant op!’

     Haar vader verbleekte.

     ‘Denk je dat zij het zijn?’ vroeg ze.

     ‘Waarschijnlijk wel.’ Haar vader had niet de gewoonte er doekjes om te winden. ‘Ze zijn teruggekomen.’

     ‘Hoe bedoel je, teruggekomen?’

     ‘Maak dat je hier wegkomt, Hedelin. Snel! Trek het moeras in. Je kent er de weg. Zij niet.’

     Ze keek hem met grote ogen aan. ‘En jij dan? En Betto?’

     ‘Zodra ik je broer zie, stuur ik hem achter je aan.’

     Ze wilde het huis binnengaan, maar hij hield haar tegen. ‘Je hebt geen wapen nodig. Tegen die duivels kun je toch niets beginnen. Je moet je verstoppen.’

     ‘Maar …’

     ‘Ik blijf hier. Ik laat mijn huis niet achter.’ Hij sprak met zijn tanden op elkaar geklemd. In zijn ogen verscheen een blik die Hedelin nooit eerder had gezien. ‘Ik heb nog een rekening met hen te vereffenen. Ze hebben al twee keer mijn leven verwoest. Ik laat het geen derde maal gebeuren.’ Zijn vingers klemden zich om de steel van de bijl alsof ze zich erin wilden begraven. ‘Ga nu, voor ze hier zijn! Betto en jij zijn intussen oud genoeg om op eigen benen te staan.’

     ‘Wát zeg je?’ Vol ongeloof staarde ze haar vader aan. Hij hoefde niet te antwoorden. Ze had begrepen wat hij bedoelde.

     Hij duwde haar ruw in de richting van de lege vlakte die zich achter het huis uitstrekte. ‘Haast je. Ga zo ver mogelijk hiervandaan. Kies het moeilijkste pad. Dan zullen ze je niet achternakomen.’