Waterdunen

Dinsdag 20 mei 1348

Hille liet zich van de duin glijden. Bij elke stap die ze in de richting van de potvis zette, leek het beest nog meer te groeien. Hij lag op zijn zij en zijn bek was opengevallen. Die was belachelijk klein in vergelijking met het reusachtige hoofd. Zelfs toen ze zo dichtbij was gekomen dat ze de tanden bijna kon aanraken, merkte Hille niets van de zoete geur waarmee hij kleine vissen in zijn keel lokte, om ze daarna op te slokken.

            Overal rondom haar klonken opgewonden stemmen. ‘Wat een geluk dat die hier is aangespoeld, en niet op Wulpen,’ riep iemand. ‘Zo’n grote vis is een fortuin waard!’

            ‘Je denkt toch niet dat jij daar iets van te zien zult krijgen?’ smaalde een man. Zijn gezicht ging bijna helemaal schuil in de kap van zijn tuniek.

            ‘Wat bedoel je, Reynold?’

            Op dat ogenblik trok er een rilling door de potvis. De kinderen lieten zich gillend langs de flanken naar beneden glijden. De omstanders deinsden achteruit. Alleen de man met de kap bleef onverstoorbaar staan. ‘Het is de zee maar,’ zei hij. ‘Ik hoop dat ze hem weer meeneemt.’

            ‘Waarom?’ vroeg Hille. Iets in de toon waarop hij had gesproken, had haar aandacht getrokken.

            ‘Weet je dat dan niet, molenaarsdochter? Een grote vis die strandt, is de voorbode van een ramp.’

            Hille staarde de man ongelovig aan. Zijn ogen leken te branden in zijn magere gezicht. Toen trok er een nieuwe rimpeling door de groep toeschouwers. Er waren intussen nog veel meer kijklustigen toegestroomd. Het nieuws van de aangespoelde potvis had ook het naburige eiland Wulpen bereikt, en de eerste bootjes met nieuwsgierigen naderden het strand al. Hille schrok op toen Ysewin naast haar verscheen. ‘Daar is mijn vader. Eindelijk!’

            De omstanders weken uiteen toen boer Den Brunen dichterbij kwam. Zijn twee bedienden liepen enkele meters achter hem. Ze hielden allebei een stevige wandelstok in hun vuist geklemd. De pachtboer had zijn beste kleren aangetrokken.

            ‘Nu zullen we het snel weten,’ mompelde de man met de kap. Opnieuw weerklonken opgewonden kreten. Die verstomden toen een grote magere man zich bij het gezelschap voegde. Zijn mantel veegde het zand bij elkaar, maar hij leek het niet te merken. Hij werd vergezeld door een jongeman, onmiskenbaar zijn zoon. Ze hadden allebei hetzelfde smalle gezicht en dezelfde samengeknepen mond, die alles leek af te keuren wat ze zagen. ‘De viskoopman en zijn zoon, Snellard. Dit wordt interessant.’

            Boer Den Brunen liet er geen gras over groeien: ‘Deze vis behoort mij toe! Wie hem durft aan te raken, komt in de problemen.’

            ‘Hij is van je pachtheer, zul je bedoelen!’

            De ogen van de pachtboer zochten tevergeefs naar de spreker. ‘Dat bedoel ik inderdaad,’ verbeterde hij snel. ‘Mijn pachtheer, Heinric Taybarts uit Brugge, is de officiële eigenaar van het strand en de duinen. Ik zal er hoogstpersoonlijk op toezien dat de opbrengst van deze vis naar mijn pachtheer gaat.’ Zijn blik gleed in de richting van de man met de lange mantel, maar de viskoopman bleef onbewogen staan. Zijn lippen waren opeengeperst. Zijn gezicht sprak boekdelen.

            ‘De vis is veel te groot,’ riep een van de boeren. Hij zette moedig een stap naar voren. ‘Het zal maanden kosten om hem in stukken te snijden en er traan van te koken. De zomer komt eraan. Het karkas zal gaan rotten. De geur zal iedereen op het eiland ziek maken!’

            ‘Die vis zal veel geld opbrengen,’ fluisterde Ysewin. Hij kwam dichter bij Hille staan dan ze prettig vond, maar ze kon geen kant op. Net toen ze wilde vragen wat hij bedoelde, begon de man met de kap weer te spreken.