Proloog

 

‘Vertel nog eens over de vogel.’

     ‘Maar je hebt dat verhaaltje al zo vaak gehoord, lieverd.’

     ‘Toe?’ Het meisje nestelde zich vol verwachting onder de dekens, toen haar oma op de rand van het bed ging zitten. 

     ‘Goed dan. Maar daarna doe ik het licht uit!’ De vrouw sloot haar ogen en begon te vertellen. 'Nog niet zo heel lang geleden was er een meisje dat in een kasteel woonde. Het kasteel was groot en oud, en het had een heel hoge toren.’

     ‘Net zoals ons kasteel?’

     ‘Bijna even hoog!’ De vrouw glimlachte. Ook die onderbreking hoorde bij het ritueel dat ze samen al zo vaak hadden doorlopen. ‘Bijna elke dag klom het meisje tot boven in de toren om uit te kijken over de omgeving. Van daarboven zag ze alles wat er gebeurde rondom het kasteel. Urenlang kon ze zitten kijken, want ze kwam niet vaak buiten het kasteeldomein en van hieruit kon ze een deel van de wereld zien. Elke dag dat ze vanaf de toren om zich heen keek, ontdekte ze andere dingen. Soms trok een onweer over het kasteel heen. Dan hoorde ze de donder en zag ze de bliksemschichten. Soms waren beneden mensen aan het werk op het veld en dan wuifde ze naar hen. De boeren wuifden altijd terug, want ze wisten wie het meisje in de toren was. Zo gingen de jaren voorbij. Maar op een dag zag ze iets wat ze nooit eerder had gezien: de boeren hadden hun ploegen in de steek gelaten. Vreemde soldaten waren het land binnengedrongen. Het meisje kon vanuit de toren zien hoe ze tussen de bomen slopen en met hun wapens in de aanslag over de verlaten velden liepen. Geschrokken holde ze de trap af en verstopte ze zich in haar kamer.’

     ‘Achter een gordijn?’

     ‘Precies. Daar, in haar kleine kamer, hield het meisje zich verborgen terwijl de soldaten het hele land veroverden en vreselijke dingen deden.’ De stem van de vrouw haperde. ‘Maar elke dag opnieuw beklom ze stiekem de trap van de toren, om te zien of de soldaten nog niet waren vertrokken.’

     ‘De vogel.’ Het klagerige stemmetje werd traag en slaperig. ‘Waar blijft de vogel?’

     ‘Nog een beetje geduld, lieverd. Op een dag kwam een jonge vrouw aan bij het kasteel. Ze trommelde met haar vuisten op de voordeur. Ze zei dat ze op de vlucht was voor de soldaten. Ze had een baby’tje bij zich en ze was bang dat haar kind iets zou overkomen. Daarom vroeg ze het meisje of zij niet voor de baby wilde zorgen, tot de soldaten verdwenen waren en alles weer veilig was. Dan zou ze haar kindje komen terughalen, beloofde ze. Zodra ze het had achtergelaten, was ze weer weg. Net zo plots als ze aan de deur van het kasteel was verschenen.’

     ‘Een vogel,’ klonk het zwak vanonder de dekens.

     ‘Ja. Na haar laatste woorden was de vrouw in een vogel veranderd en weggevlogen. Elke dag klom het meisje naar de toren. Telkens wanneer daarboven vogels om haar heen vlogen, hoopte ze dat een ervan de jonge vrouw was die de baby bij de voordeur had achtergelaten, en dat ze snel zou terugkeren om haar dochtertje te zoeken.’ 

    Naast haar bleef het stil. De vrouw bukte zich over het slapende kind en drukte voorzichtig haar lippen op het kleine voorhoofd. 

     ‘En het meisje heeft die hoop nog altijd niet opgegeven,’ zei ze zacht. ‘Zelfs niet nu die soldaten al lang uit het land zijn verdwenen.’