1.

 

Een koude oostenwind joeg een dik pak wolken in de richting van het kasteel. Zware, grijze wolken. Het was een donderdag in januari en nog maar vier uur in de namiddag, maar het zou niet lang meer duren voor het helemaal donker werd. Baron Aloysius van Muizegem en zijn zoon Alain stonden naast elkaar met hun neus tegen het raam gedrukt. De oude eik in het midden van de tuin, het beeld van de discuswerper en de vijver waren al grotendeels door de schemering opgeslokt.

‘Er hangt sneeuw in de lucht’, rilde Alain.

Telkens wanneer hij zijn mond opende, ontsnapte een wolkje witte damp. De baron knikte instemmend.

‘Het ziet ernaar uit dat we de volgende dagen niet veel bezoekers zullen krijgen. Met zo’n guur weer neemt niemand graag een bad. Zelfs geen bloedbad.’

Net toen de eerste sneeuwvlokken boven het binnenplein naar omlaag begonnen te dwarrelen, verschenen drie vleermuizen boven de oude toren die tegen het kasteel aanleunde. Ze cirkelden even rond de torenspits en verdwenen daarna uit het gezicht.

Enkele ogenblikken later dwaalde de blik van baron van Muizegem in de richting van de toren en de stroken licht die door de schietgaten naar buiten vielen. Er was opvallend veel beweging in de kamer boven in de toren. Schaduwen gleden achter de smalle ramen heen en weer.

‘Hij is nog altijd aan het werk’, zei de baron vol bewondering. ‘Hij heeft zichzelf de voorbije twee dagen en nachten geen ogenblik rust gegund. Hij heeft zelfs geen bloedbad genomen.’

‘Hij is aan het laatste hoofdstuk van zijn boek bezig,' bevestigde Alain. ‘Hij vertelde me enkele dagen geleden dat hij er bijna klaar mee was. Maar hij had een paar bijzonder interessante zaken ontdekt die hij nog verder wilde onderzoeken, zei hij. Meer wilde hij er voorlopig niet over kwijt.’

‘We zullen het weldra weten.’

Een muur van de woonkamer werd bijna helemaal ingenomen door een grote open haard. In de lederen stoelen die aan weerszijden van de schouw stonden, hadden twee identieke kleine dametjes zich genesteld. Al was er weinig van hen te merken. Ze hadden allebei een deken over hun knieën geslagen en hun hoofden zaten grotendeels verborgen in dikke wollen sjaals.

De haard was leeg. Nergens was een vlammetje te bespeuren. Een zwartgeblakerd gat waarlangs de winterkou de kamer binnensloop.

‘Toe nou, Aloysius’, zeurde een van de vrouwtjes. ‘Steek toch een vuur aan. Alsjeblieft.’

‘Je weet best dat we heel zuinig moeten omspringen met hout, Agatha. Er worden al genoeg bomen omgehakt op de wereld. Bomen zijn erg nuttig. Ze…’

‘Waarom zet je de centrale verwarming niet aan?’ onderbrak het tweede vrouwtje hem bits. ‘Dan hoef je geen hout te verbranden. Mijn voeten voelen aan als ijsklompen.’

‘Hoe vaak heb ik je al gezegd dat de rook van de verwarmingsketel slecht is voor het milieu, Christie’, antwoordde de baron.

‘Maar we zitten hier allemaal te bevriezen!’ protesteerden de beide vrouwtjes in koor.

‘Jullie overdrijven. Het is hier binnen minstens vijf graden. Misschien wel acht.’

Agatha en Christie keken Alain smekend aan, maar die haalde hulpeloos zijn schouders op. Hij slaakte een diepe zucht. Het binnenplein verdween in een klap achter het bewasemde vensterglas.

Alain begreep evenmin wat er aan de hand was. Tot voor enkele dagen was het behaaglijk warm geweest in het kasteel. In alle kamers hadden de open haarden gezellig gebrand. Maar het hout was opgebruikt, en zijn vader had boos gereageerd toen hij had geopperd dat er dringend een nieuwe voorraad moest worden besteld. Enige tijd later had de baron bevolen dat de verwarming werd uitgezet. Sindsdien hadden de meeste gasten zich teruggetrokken in hun kamers, waar ze zich diep onder de dekens hadden genesteld. Zelfs de badzaal in de kelder van het kasteel, waar het anders altijd behoorlijk druk was, bleef leeg. Slechts weinig vampiers en Vampiers Tegen Hun Zin waren bereid de bittere kou te trotseren voor een bloedbad. Alleen de man van de frietkraam naast de kerk waagde zich af en toe in het ijskoude bronwater. Maar die was dan ook lid van de plaatselijke ijsberenclub, die elk jaar op de laatste zondag van januari een zwemwedstrijd organiseerde in het kanaal. Behalve wanneer het dichtgevroren was. Dan hielden de leden van de club een schaatswedstrijd in hun blootje.

‘Kunnen we toch niet een paar vuurtjes aansteken, papa?’ probeerde Alain nog. ‘Dan wordt de ergste koude tenminste gebroken…’

Zijn vader legde hem met een boze blik het zwijgen op.

De baron en Alain drukten hun neuzen opnieuw tegen het raam. De sneeuwvlokken waren intussen zo dik geworden dat zelfs de grote eik niet meer te zien was.

Vier gestalten die uit het deurtje van de toren tevoorschijn kwamen, haastten zich in de richting van een poort in de muur die rondom het kasteel liep. Een van hen hield een hand tegen zijn oor gedrukt. Een druppel bloed sijpelde tussen zijn vingers.