Atuatuca Tungrorum

190 na Christus

 

Dag I

 

Freio kon net op tijd achter een hoek wegduiken. De donkere gestalte die hij stiekem achternaliep, was gestopt. De man keek over zijn schouder en trok zijn mantel steviger om zich heen.

            De zomer was voorbij. De dagen werden snel korter, de nachten fris. De zon was ondergegaan en de avondschemering hield Atuatuca Tungrorum in haar greep. Een na een verschenen voorzichtig de sterren boven de stad. De verkopers langs de winkelstraten waren gestopt met schreeuwen en hadden de luiken van hun winkels op slot gedaan. In de verte, ergens tussen de huizen, knarsten de wielen van een late wagen op het grind van de straat. Het zou nu snel helemaal donker worden. Achter kleine ramen verscheen hier en daar het licht van olielampen. Spaarzame tekenen van leven in een stad die zo goed als uitgestorven leek.

            De gestalte zette zich weer in beweging. Enkele tellen later deed Freio hetzelfde. Het was niet eenvoudig om onopgemerkt te blijven. Gelukkig keek de man zelden achterom. Hij liep tussen het forum en het tempelcomplex door, voorbij een aantal woningen, tot hij aan de rand van de stad kwam. Het aquaduct dat het water Atuatuca in voerde, torende met grote stenen bogen boven de huizen uit. De straat liep hier langs een braakliggend stuk grond. Dat reikte tot aan de voet van de gloednieuwe stadsmuur en was begroeid met onkruid en struiken. Enkele honden drentelden rond, op zoek naar iets eetbaars.

            Misschien is hij op weg naar een van de poorten, dacht Freio. Maar wat kan iemand zo laat nog buiten de stad te zoeken hebben? Tot zijn verbazing verliet de man de straat, om tussen het struikgewas te verdwijnen. Freio schudde het hoofd. Als degene die hij volgde in de stad een afspraak had, maakte hij een wel heel vreemde en nutteloze omweg.

            Op dit verlaten terrein lag het materiaal opgeslagen voor de bouw van de muur. Grote stapels hout voor de stellingen en rijen vierkante silexblokken die door de steenhouwers waren afgewerkt. De omwalling rond de stad was bijna klaar, maar hier moest zij nog worden voltooid. De voet van de muur ging intussen bijna helemaal schuil in het donker. De hoge, nog ongelijke rand stak scherp af tegen de avondlucht.

            De man stopte abrupt, alsof hij was opgeschrikt door een geluid. Op dat moment maakten twee schimmen zich los uit de duisternis van de muur, maar de man leek hen niet op te merken. Ze slopen in een grote boog naar hem toe.

            ‘Pas op!’ riep Freio. Meteen sloeg hij de hand voor de mond.

            De man keek geschrokken in zijn richting. Terwijl hij Freio probeerde te ontdekken, waren de twee gestalten hem van achteren genaderd. Hij merkte hen nog net op tijd op, schrok, en zette het op een lopen.