1. Cadeautjestijd!

 

Bert, de eekhoorn, slofte door het bos. Zijn voeten schopten de bladeren in de lucht, maar hij leek het niet te merken. Het was herfst. Het bos was rood en geel en soms nog een beetje groen, maar Bert had geen aandacht voor al die mooie kleuren. Zijn snuit stond helemaal niet vrolijk. Op zijn voorhoofd was zelfs een diepe frons verschenen.

Hij slaakte een diepe zucht.

Het kwam allemaal door wat er de vorige dag was gebeurd. Bieke, zijn beste vriendinnetje, had hem betrapt toen hij de vuilnisbak op het parkeerterrein aan de rand van het bos aan het doorzoeken was. Net op het moment dat hij een restje koek tussen zijn tanden wilde stoppen, was ze verschenen. 

‘Bert!’ had ze geschreeuwd. ‘Wat doe je nou? Kijk toch eens wat een rommel je maakt! Je gooit alles op de grond!’

‘Bemoei je met je eigen zaken,’ had hij geantwoord. ‘Ik was hier het eerst. Wat ik vind, is van mij.’ 

Hij wilde nog zeggen dat Bieke zelf maar iets lekkers moest zoeken, maar toen had hij de tranen in haar oogjes gemerkt. 

‘Wil je een stuk koek?’ had hij nog snel gevraagd, maar het was te laat.

‘Hoe kun je zoiets stouts zeggen, Bert? Ik dacht dat we de beste vrienden waren.’ 

Bieke was snikkend het bos in gelopen. 

Sindsdien had Bert spijt van wat er was gebeurd. Al de hele dag piekerde hij over een manier om het weer goed te maken met Bieke. Hij zou haar gewoon kunnen zeggen dat het hem speet, maar dat zou niet voldoende zijn. Hij zou haar op z’n minst ook een cadeautje moeten geven, om te tonen dat hij meende wat hij zei. Maar welk cadeautje? 

Een zakje beukennootjes?

Nee, dat was veel te gewoon. Nu de herfst was begonnen, lag het bos bezaaid met beukennootjes. 

Een pak koekjes dan?

Bert schudde het hoofd. Dat was al helemaal geen goed idee. Bieke had een hekel aan afval. Als zij het voor het zeggen had, zou er in het hele bos niet één stukje papier of een leeg drankblikje liggen. En al zeker niet de plastic wikkel van een koek. 

Bert was intussen tot in de top van een van de bomen geklauterd. Dit was zijn lievelingsplekje. Van hieruit kon hij een groot deel van het bos in de gaten houden. Er kwamen regelmatig mensen. Meestal waren het wandelaars, maar af en toe kwamen er auto’s aangereden. Dat was altijd heel spannend. Zodra ze diep genoeg in het bos waren, stopten ze, en dan werden allerlei spullen naar buiten gekieperd. Dozen. Zakken. Stukken hout en ijzer. 

Cadeautjestijd, noemden de eekhoorns het. Op die ogenblikken kwam het eropaan er als eerste bij te zijn. Vaak zat er nog heel wat bruikbaars tussen. Roomijsdozen waren erg gegeerd voor het opbergen van nootjes en kastanjes. Deze herfst waren ook de glazen bokalen in trek. Met een vuurvliegje erin, was zo’n bokaal de ideale sfeerverlichting in een eekhoornnest. 

Maar Bert kwam nooit als eerste bij al die schatten aan. Van de hele bende bonte boseekhoorns was hij de traagste. Meestal kon hij enkel nog tussen de allerlaatste restjes afval zoeken naar iets bruikbaars. Al de andere eekhoorns waren hem voor geweest. Om nog maar te zwijgen van de vos! De Generaal was er altijd als de kippen bij om de beste stukjes voor zichzelf op te eisen. 

Bert schrok op toen hij in de verte het gebrom van een motor hoorde. Hij verstopte zich snel tussen de bladeren, en keek toe hoe een auto zich een weg baande door het bos. Hij stopte aan de voet van de boom. De man die uitstapte, keek een paar keer om zich heen, en verstopte toen een grote, zwarte plastic zak tussen de struiken. Even later was de auto weer verdwenen.