De auto stopte voor de grote poort en bleef met draaiende motor staan. De chauffeur stapte uit. Hij droeg een pet en een lange winterjas. Zijn handen beefden, waardoor het hem moeite kostte om het slot te openen. Daarna duwde hij het zware ijzeren hek opzij. Het licht van de grote koplampen scheen recht in een lange dreef. Links en rechts rezen de stammen van oude bomen op in het licht.

Het was al laat. De rit van de stad naar huis had langer geduurd dan gewoonlijk.

‘Wat is er toch aan de hand, Louis? Je bent zo traag vandaag,’ vroeg de dame op de achterbank van de wagen. 

‘Het spijt me, mevrouw. Het zijn de wegen. Ze liggen er slecht bij.’

Hoewel het de afgelopen dagen droog was gebleven en vrij zacht voor de tijd van het jaar, waren de wegen nog modderig en bleven de putten diep.

De auto kwam met een schok in beweging en reed de donkere tunnel in. De vrouw sloeg haar arm om het meisje dat naast haar zat. ‘Nog even, schat. We zijn bijna thuis.’

Toen de auto een kruispunt van paden had bereikt, vertraagde hij.

‘Wat is er, Louis? Waarom stop je?’

‘Niets, mevrouw. Ik dacht dat ik een dier aan de rand van de weg zag. Dat is alles.’

Een ogenblik later was de wagen omsingeld door verschillende mannen. De vrouw begon te gillen. Ze hadden hun petten diep over de ogen getrokken en hun kragen hoog opgeslagen. Voor hun mond hadden ze zakdoeken gebonden.

De dame schreeuwde opnieuw, toen het achterste portier werd opengerukt en ze ruw uit de wagen werd gesleurd. Ze probeerde zich aan het kind vast te klemmen, maar ook dat werd door een van de mannen naar buiten getrokken.

‘Louis! Help ons!’

De chauffeur was verdwenen.

‘Mama!’

De vrouw wilde nogmaals om hulp roepen, maar een van de mannen had zijn hand over haar mond geslagen. Ze was niet van plan zich zomaar gewonnen te geven, en ze maaide wild met haar armen om zich heen. De man die haar vasthield, verloor zijn pet. Toen ze er met haar laatste krachten in slaagde ook de zakdoek weg te rukken, kon ze zijn gezicht zien. Haar ogen werden groot. Ze voelde hoe hij zijn hand nog steviger over haar mond en neus klemde. Het gegil van haar dochter klonk steeds verder weg. Daarna werd alles donker.

26 januari 1927 was een zwarte dag in de geschiedenis van het dorp.

Er zouden er nog meer volgen.