1.
 
‘Kijk uit! Daarbeneden!’
Bram schrok op van de stem die van op een van de stellages weerklonk. Hij keek omhoog en ontdekte meteen de bouwvakker die hem met wijd opengesperde mond toeriep, en die met zijn arm in de lucht wees naar een donkere stip die snel op hem afkwam. Hij sprong opzij, maar het was te laat. De hamer raakte zijn bouwvakkershelm en verdween met een doffe klap tussen een hoop puin. Het kasteel begon in het rond te tollen. Alsmaar sneller. Donkere vlekken dansten voor zijn ogen. Daarna werd alles zwart. Hij viel op de grond, rakelings langs de scherpe rand van een betonmolen.
Bram was zich er vaag van bewust dat plots een heleboel stemmen tegelijk weerklonken.
‘Bram? Bram!’
‘Wat is er gebeurd?!’
‘Ik weet het niet. Ik heb niets gezien’, zei een vrouwenstem vlakbij zijn oor. ‘Toen ik omkeek, lag hij op de grond.’
‘Er is iets op zijn hoofd gevallen’, zei een andere stem. ‘Ik zag het nog net tussen al die rommel verdwijnen. Waarschijnlijk een steen.’
‘Is hij dood?’
‘Natuurlijk niet. Alleen maar bewusteloos.’
‘Gelukkig droeg hij een veiligheidshelm. Zonder zo’n helm is het op een werf als deze levensgevaarlijk. Zo’n baksteen kan vreselijk hard aankomen. Om nog maar te zwijgen van al de dakpannen die om de haverklap naar beneden donderen!’
‘Ik had al lang een voorgevoel dat er vroeg of laat iets ergs zou gebeuren’, zei nog iemand anders. ‘Er is iets niet pluis met dit kasteel. Neem nu die doorgang tussen het kasteel en de oude toren. Hoe vaak hebben we die al niet opnieuw dichtgemetseld? Vijf keer? Tien keer? En telkens opnieuw stond die oude deur de volgende dag weer op haar plaats. Net alsof er niets gebeurd was!’
‘Waar jij je druk om maakt’, zei weer een andere stem. ‘Wat dacht je van al die keren dat de elektriciteitskabels van de betonmolens waren doorgeknipt? En herinner je je de diefstal van die cementzakken? We hebben ze teruggevonden in de vijver van het kasteel. Alle vijftig! Het lijkt wel of de duivel ermee gemoeid is.’
‘Het spookt hier, neem dat maar van me aan.’
‘Spoken? Laat me niet lachen. Het zijn vandalen, zeg ik je.’
‘Hou toch op met die verhaaltjes’, berispte een vrouwenstem. ‘Jullie bezorgen me koude rillingen. Bekommer je liever om die arme jongen. Heeft er iemand een slokje water?’
‘Is een biertje ook goed?’ vroeg de man van de kabels en de cementzakken. ‘Biertjes zijn er genoeg op de werf.’
Toen Bram er eindelijk in slaagde zijn ogen een klein beetje te openen, onderscheidde hij een vage kring van gezichten die over hem heen gebogen waren. Wie waren al die mensen? Wat deden zij hier? En waarom lag hij op de ijskoude grond?
Hij pijnigde zijn hersens maar hij kon zich onmogelijk herinneren wat er aan de hand was. Alleen gebeurtenissen van lang geleden kon hij zich nog voor de geest halen. Hij herinnerde zich heel levendig het kerkhof waar hij de magere zwerver en diens vader had ontmoet. De magere zwerver die Alain heette en zijn vader die eigenlijk een baron was. Rik en zijn oom, de vleermuizentemmer, hadden hem op het spoor gezet van de VTHZ, de Vampiers Tegen Hun Zin. Alain en zijn vader waren ook Vampiers Tegen Hun Zin, maar ze waren net als vele andere VTHZ opgelicht door tandarts Ongena. Die had hen veel geld laten betalen voor doodgewone tomatensoep, onder het voorwendsel dat het een speciaal vervangproduct voor bloed was. Pas nadat hij samen met Jomme en Mier het waardevolle schilderij van Andy Warbol hadden teruggevonden, had de baron het oude kasteel kunnen terugkopen. Hij had besloten het te verbouwen tot een tehuis voor Vampiers Tegen Hun Zin.
Toen Bram terugdacht aan tandarts Ongena, verscheen het beeld van Heleen voor zijn ogen. Kortgeknipt haar, drie ringen in haar rechteroor en lange, slanke benen. Hij was verliefd geworden op haar, maar dat was een grote stommiteit geweest.
Bram opende zijn ogen opnieuw. Iets wijder, ditmaal. Zijn geheugen begon langzaam terug te keren. Een heleboel gezichten waren hem vreemd, maar hij herkende een aantal ervan. Dat van Jomme en Mier, zijn vrienden. Rik, met zijn oom en tante. Alain en zijn oude vader, baron Aloysius Van Muizegem. Ze waren er allemaal. Natuurlijk waren ze er allemaal! Nu wist hij het weer. De stem van de bouwvakker. De donkere stip die op hem afgesneld kwam. Ze brachten samen een bezoek aan de bouwwerf, op uitnodiging van de baron. De vrieskou was voorbij en de herstellingswerken aan het kasteel waren hervat, hoewel het nog altijd flink koud was en de sneeuw nog niet overal was weggesmolten. Nog enkele maanden en het kasteel zou helemaal opgeknapt zijn. De baron had hen alvast allemaal uitgenodigd voor het grote feest dat hij dan zou geven.
‘Ik denk dat hij wakker wordt’, hoorde hij Jomme zeggen. ‘Zijn linkeroog staat op een kier.’
‘Misschien heeft hij een hersenpudding’, opperde Mier.
‘Een neef van mij heeft ooit een hersenpudding gehad, en die is nog altijd niet helemaal de oude.’
Een hoofd dat Bram nog niet eerder gezien had, wrong zich tussen dat van de anderen. Het had een helm op. Een blauwe helm, zoals iedereen op de bouwwerf er een droeg.
‘Allemaal opzij!’ beval het hoofd. ‘Ik ben de opzichter van deze werf. Wat is er precies gebeurd? Een klap op z’n kop? Die jongen heeft zuurstof nodig. Maak plaats.’
Het gezicht van de opzichter kwam naderbij. Het was ongeschoren en het had dikke wallen onder de ogen. Bram kon de warme adem van de man in zijn gezicht voelen. Die rook allesbehalve fris. Alsof hij een hele dag met een stuk stinkende kaas in zijn mond had rondgelopen. Hij voelde hoe aan het kettinkje om zijn nek getrokken werd.
‘Dat ding moet weg’, hoorde hij de opzichter opgewonden mompelen. ‘Het knelt. Hij moet vrij kunnen ademen.’
Bram klemde het kettinkje stevig vast, maar de opzichter gaf zich niet gewonnen. Hij boog zich zo ver mogelijk over hem heen, zodat de anderen niet konden zien wat hij deed. Er verscheen een grimmige trek om zijn mond. Zijn ogen versmalden tot spleetjes. Hij trok zo hard aan het kettinkje dat het dreigde te breken. Bram was nog altijd een beetje versuft van de klap op zijn hoofd, maar hij was intussen voldoende bij zijn positieven om te beseffen wat er gebeurde.
‘Hij is van ons’, siste de opzichter. ‘Laat los!’
De man rukte zo hard dat Bram aan zijn nek begon te bloeden.
Zodra hij de druppel bloed zag, begon de opzichter te slikken. Hij liet het kettinkje meteen los, schepte de druppel bloed op en likte gulzig zijn wijsvinger af. Bram keek hem met grote ogen aan. Toen de man besefte dat hij zich had verraden, haalde hij meteen zijn vinger uit zijn mond. Hij liet Bram los en krabbelde recht. Achteloos wreef hij het zand van zijn knieën, kuchte even en zette zijn veiligheidshelm weer op.
‘Ach, het valt allemaal nog best mee’, zei hij snel. ‘Binnen een paar minuten is hij weer de oude. Misschien houdt hij er een beetje hoofdpijn aan over. Meer niet. Wel, nog een leuke dag, allemaal. Ik moet dringend weer aan het werk.’